De laatste avond van een reis herken ik inmiddels aan een bepaald soort stilte. De tas staat half gepakt tegen de muur, de laatste flessen water zijn op, en er hangt een gevoel in de kamer dat het al voorbij is terwijl je er nog bent. Twee dagen later sta je in je eigen keuken, met een wasmachine die draait en een agenda die alweer volloopt, en dan komt het: die vlakke, licht chagrijnige leegte waar niemand het over heeft. De vakantiedip.
Het is een van de weinige dingen rond reizen waar bijna iedereen last van heeft en waar bijna niemand over schrijft. Reisverhalen gaan over vertrek, over aankomst, over het moment dat je een bocht om komt en de zee ineens onder je ligt. Over de dinsdag daarna, als je met een halfvolle koffer in de gang staat en niet weet waarom je zo lamlendig bent, gaat het nooit. Terwijl dat net zo goed bij de reis hoort als de heenweg.
Ik heb er jaren tegenaan geduwd. Terug van drie weken weg en meteen weer aan het werk, met de gedachte dat de rust die ik had opgebouwd wel mee zou komen. Dat gebeurde niet. Wat er wel gebeurde, is dat ik binnen een week hetzelfde tempo had als voor mijn vertrek, en dat de reis in mijn hoofd terugkromp tot een verzameling foto’s die ik niet meer bekeek. Alsof iemand een boek uit je handen trekt op de laatste vijftig bladzijden.
Waarom het thuis harder aankomt dan onderweg
Er zit een logica in die dip die het meteen minder gek maakt. Op reis is bijna alles wat je doet een keuze. Je besluit welke kant je op loopt, waar je gaat eten, of je die dag helemaal niets doet. Zelfs de irritaties zijn van jezelf: een gemiste bus, een kamer die tegenvalt, een dag te veel regen. Thuis verdwijnt dat vrijwel volledig. Je dag wordt weer voor je ingevuld door werk, school, boodschappen en de tien kleine verplichtingen die zich hebben opgestapeld terwijl je weg was.
Daar komt bij dat je op reis voortdurend nieuwe dingen ziet, en dat rekt de tijd op. Een week in een onbekende stad voelt langer dan een maand in je eigen straat, simpelweg omdat je hersenen meer te verwerken krijgen. Kom je terug in een omgeving die je van buiten kent, dan klapt die tijdsbeleving in elkaar. Vandaar dat gevoel dat de vakantie niet alleen voorbij is, maar dat het ook lijkt alsof hij nooit heeft plaatsgevonden.
En dan is er nog iets waar we ons voor schamen: op reis was je een prettiger versie van jezelf. Geduldiger, nieuwsgieriger, sneller onder de indruk. Die versie neem je niet mee door de douane. Thuis word je binnen twee dagen weer de man die staat te zuchten in de rij bij de kassa, en het besef dat je dat blijkbaar zelf bent en niet je omstandigheden is een onaangename bijkomstigheid van elke reis.
De dip is geen bewijs dat je verkeerd hebt gereisd
Er wordt tegenwoordig graag gesuggereerd dat je die leegte kunt voorkomen door beter te reizen. Langzamer, bewuster, met minder bestemmingen en meer aandacht. Ik ben zelf een groot voorstander van trager reizen met meer beleving, maar niet omdat het de terugkomst zachter maakt. Dat doet het namelijk niet. Wie drie weken op één plek heeft gezeten en daar echt is geaard, komt vaak juist harder thuis dan iemand die van hotel naar hotel is gestuiterd en al halverwege moe was.
De dip is dus geen foutmelding. Hij is eerder een teken dat er onderweg iets is gebeurd dat de moeite waard was. Een reis waarvan je zonder enige moeite in je oude ritme terugvalt, heeft waarschijnlijk weinig aan je veranderd. In die zin is dat vlakke gevoel de rekening die je krijgt voor iets goeds, en het is een rekening die ik elke keer weer betaal.
Wat wel helpt, en dat is het enige praktische dat ik hierover te melden heb, is jezelf een marge geven. Ga niet op zondagavond terugvliegen om maandagochtend te beginnen. Neem een dag waarin niets moet, waarin je de was doet en de koelkast vult en verder vooral niets van jezelf verwacht. Die dag is geen luxe maar onderhoud, en ik heb hem in mijn planning inmiddels net zo hard vastgezet als de heenreis.
Wat je wel kunt meenemen
Het tweede dat werkt is minder vanzelfsprekend: doe iets met wat je hebt gezien, en doe het snel. Niet in de vorm van een reisverslag dat je nooit afmaakt, maar klein en concreet. Het gerecht namaken dat je daar drie keer hebt gegeten, ook al wordt het de eerste keer niets. De foto’s diezelfde week terugbrengen tot een handjevol dat je echt bewaart. Één ding uit je verblijf overnemen in je eigen huis, want het vakantiegevoel in je eigen huis brengen is minder soft dan het klinkt: je haalt er letterlijk een stukje van die andere manier van leven mee naar binnen.
Dat is trouwens ook precies de reden dat ik reizen serieus neem als iets dat je verandert en niet alleen als vrije tijd. Hoe reizen je inspireert en verrijkt merk je zelden op de reis zelf, want dan ben je vooral bezig met het vinden van het juiste perron. Je merkt het in de maanden erna, aan wat je anders doet, waar je anders naar kijkt, welke gesprekken je opeens wel voert. De dip zit in die periode ingebakken, aan het begin ervan, als een soort tol bij de grens.
Wat ik ouders en collega’s dus zou willen meegeven: als je twee dagen na terugkomst zit te balen zonder aanwijsbare reden, ben je niet verwend en ook niet ondankbaar. Je bent iemand die net uit een andere versie van zijn leven is gestapt en de overgang voelt. Dat duurt bij de meeste mensen ergens tussen de paar dagen en twee weken, en het zakt vanzelf weg zodra je eigen leven weer een beetje van jezelf begint te voelen.
Het enige dat ik echt zou afraden, is de dip meteen wegwerken door de volgende reis te boeken. Dat lucht een avond lang heerlijk op en het verandert je vakantie stilletjes in een verslaving aan vertrek. Beter is het om die onrust een paar weken te laten liggen en dan pas te kijken waar je heen wil. Wat er dan overblijft, blijkt meestal het reisplan te zijn dat ergens op slaat.



