De beste dag die ik ooit in Porto had, was een dag waarop het van tien uur ’s ochtends tot vier uur ’s middags niet is opgehouden met regenen. Ik had een lijstje met uitzichtpunten, een wandeling langs de rivier en een brug waar je overheen moet zijn gelopen. Van dat alles is niets terechtgekomen. Wat er wel gebeurde: ik ben een boekhandel binnengegaan omdat de deur openstond, ik heb anderhalf uur aan een tafeltje gezeten met koffie die te sterk was, en ik heb een gesprek gevoerd met een man die me uitlegde waarom de ene helft van de stad de andere helft niet serieus neemt. Dat gesprek staat me nog altijd helderder bij dan welk uitzicht dan ook.
Ik denk dat we het reizen bij slecht weer verkeerd hebben ingericht in ons hoofd. We behandelen regen als verlies. De dag telt niet mee, we hebben pech gehad, en het echte bezoek moet nog beginnen. Dat idee is zo hardnekkig dat mensen liever een dag lang op een kamer blijven wachten tot het opklaart dan naar buiten gaan, en vervolgens thuis vertellen dat het weer tegenviel alsof de stad zelf iets verkeerd heeft gedaan.
Wat er in werkelijkheid gebeurt als het regent, is dat een stad een andere versie van zichzelf laat zien. De terrassen zijn leeg, dus je hoort de stad in plaats van de mensen erop. Winkelstraten die op een zonnige zaterdag onbegaanbaar zijn, lopen ineens door. Musea die je normaal mijdt omdat de rij eromheen slaat, hebben plaats. En de plekken waar je normaal langsloopt omdat er buiten iets leukers is, komen ineens in aanmerking. Regen dwingt je naar binnen, en binnen is waar de meeste steden hun eigenlijke leven bewaren.
Er zit ook iets in het tempo. Je loopt anders in de regen: doelgerichter tussen twee plekken, langzamer zodra je binnen bent. Je gaat ergens zitten en blijft langer dan je van plan was, want naar buiten heeft geen haast. Dat is precies het effect dat mensen zoeken als ze zeggen dat ze rustiger willen reizen. Wie het idee achter trager reizen met meer beleving aantrekkelijk vindt maar in de praktijk toch elke dag volplant, krijgt van een regenachtige middag gratis wat hij zelf niet voor elkaar kreeg.
Ik wil het niet mooier maken dan het is. Er zijn steden waar regen wel degelijk een probleem is. Plaatsen die van hun buitenruimte leven, waar het programma bestaat uit een markt, een wandelroute en een strand, worden bij aanhoudende neerslag domweg kleiner. Dorpen aan de kust ook. En er is een verschil tussen een bui van een uur en drie dagen grijs met wind, want dat laatste sloopt het humeur van iedereen die niet in een café wil zitten. Wie in september of oktober weggaat, doet er goed aan te weten hoe de bestemming eruitziet als het slecht weer is, en niet alleen hoe het er op de foto’s van juli aan toegaat.
Maar de meeste Europese steden zijn helemaal niet gebouwd voor zon. Ze zijn gebouwd voor een klimaat dat een groot deel van het jaar nat en grijs is, en daar hoort een binnencultuur bij die het hele jaar doorloopt. Cafés met te veel stoelen, overdekte markthallen, kerken die openstaan zonder dat iemand van je verwacht dat je gelovig bent, bibliotheken waar je gewoon binnen mag lopen, warenhuizen met een verdieping waar niemand komt. Die dingen zijn er niet ondanks het weer, ze zijn er dankzij het weer. Ze bezoeken op de enige zonnige dag van je verblijf is eigenlijk zonde van die zonnige dag.
Praktisch gezien verandert er trouwens minder dan mensen denken. Je hebt een jas nodig die echt waterdicht is en schoenen die nat mogen worden, en daarmee is het grootste deel van het ongemak opgelost. De rest is een kwestie van niet te ver van je uitvalsbasis afdwalen, zodat je halverwege de middag droge sokken kunt aantrekken zonder dat het een expeditie wordt. Een paraplu is in een stad met wind eerder een last dan een oplossing, en een tas die niet doorlaat is meer waard dan alle regenkleding bij elkaar, al was het maar vanwege je telefoon.
Wat wel verandert, is de manier waarop je je dag indeelt. Een programma met vier vaste punten werkt niet als je halverwege moet schuilen. Wat wel werkt, is een korte lijst met plekken die binnen zijn en dicht bij elkaar liggen, plus de bereidheid om ergens te blijven hangen als het bevalt. Dat vraagt een zekere onthechting van het idee dat je alles gezien moet hebben, en die onthechting is nu juist het beste dat een reis je kan opleveren.
Er is nog een reden waarom ik regendagen ben gaan waarderen, en die is minder romantisch. Ze zijn eerlijker. Op een zonnige dag is elke stad leuk. Je zit ergens buiten, het licht is goed, iedereen om je heen ziet er ontspannen uit, en je hebt geen enkel idee of je de plek zelf leuk vindt of alleen het weer. Zodra het regent, valt dat effect weg en zie je wat er overblijft. Sommige steden verliezen daar bijna alles bij. Andere winnen er juist aan, omdat de dingen die overeind blijven staan de dingen zijn die de plek werkelijk maken. Ik heb bestemmingen pas echt leren kennen op de dag dat het misging.
Dichter bij huis geldt precies hetzelfde. Nederlandse steden hebben in de herfst en de winter een half jaar waarin het bijna altijd tegenzit, en toch zit het hele land in die maanden vol met mensen die ergens naartoe gaan. Een middag in een museum, een boekwinkel, een markthal of een café bij een gracht is niet de tweede keuze, het is waar deze steden op zijn ingericht. Wie een dagtrip in en rondom Utrecht uitstelt tot het mooi weer wordt, wacht meestal tot een moment waarop diezelfde plek vol staat met iedereen die hetzelfde dacht.
Wat ik mensen aanraad is klein en bijna kinderachtig: bedenk vooraf één plek die alleen bij regen aan de beurt komt. Niet als noodplan, maar als iets waar je stiekem een beetje op hoopt. Een badhuis, een filmhuis, een specifieke boekwinkel, een restaurant waar je normaal niet middenop de dag zou gaan zitten. Zodra die plek op je lijstje staat, is regen geen tegenslag meer maar een aanleiding, en dat is een verschil in beleving dat je niets kost.
Het effect daarvan reikt verder dan de dag zelf. De reizen waar ik het langst plezier van heb gehad, zijn zelden de reizen waarin alles klopte. Het zijn de reizen waarin iets niet doorging en er iets anders voor in de plaats kwam. Dat is ook waarom een goed weekend niet altijd het weekend is waarin je het meeste hebt afgevinkt, en waarom mensen na een perfect verlopen vakantie soms leger thuiskomen dan ze verwachtten. Over dat laatste gevoel valt genoeg te zeggen, want de dip na thuiskomst heeft vaker te maken met hoe vol een reis zat dan met hoe leuk hij was.
Dus als de voorspelling voor je stedentrip er beroerd uitziet: verander niets. Neem een jas die dicht is, kies één plek waar je bij regen naartoe wilt, en laat de rest gebeuren. De kans is groot dat je thuiskomt met een verhaal in plaats van een fotoalbum, en van die twee is er maar één die over vijf jaar nog iets waard is.



